Nieuwe Garde Weblogs

Nausikaa

 

Over Nausikaa

Woorden die niet* van toepassing zijn op Nausikaa: gezellig, verlegen, schorpioen, 1985, groenogig, accountant, levenswijsheden, volleybal, lang, tomboy, logisch, gematigd, vegetarier, geel, natuur, piercing, vredig, winegums, Renate Dorrestein, tuinieren, zakelijk, Protestants, schaamtevol, Barbara (Karel, Streisand), 1981, techniek, vorken, steil, 'koekeloeren' / 'joehoe'.


[*Wat wel: Nausikaa wilde eigenlijk altijd al actrice worden, daarom studeert ze nu kunstgeschiedenis in Cambridge.]

Kalender

« September 2010
Z M D W D V Z
      1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30    

Laatste Reacties

Stuff

Powered byPivot - 1.22: 'Arcee'
XML Feed (RSS 1.0)
XML: Atom Feed

+ 10 - 8 | §

Ze liet een glas vallen

Meisjes betasten zichzelf en jongens krabben zich tot bloedens toe. Op de toneelschool in Brussel, waar een vriendin studeert, zijn de eerstejaars presentaties van monologen. Ik kijk om me heen, de toeschouwers zijn geamuseerd, er zijn geen taboes meer op het toneel, lijkt het wel.

Maar een week later kom ik het grote taboe tegen. Ik zit in een klein kantoortje om de voice-over op te nemen voor een audio-tour in een museum in Cambridge. Er komt nog iemand van het museum om de opname-apparatuur te bedienen, maar ze is laat. Ik verwacht de standaard poederachtige mevrouw van zekere leeftijd, maar dan vliegt de deur open en ik zie twee dingen. Ten eerste is ze zo dynamisch en jong en fris, ten tweede draagt ze een sjaaltje om haar hoofd. Ik kijk nog eens, en zie dat ze achter de Amy Winehouse-achtige oogmake-up geen wimpers heeft. Geen religieus sjaaltje. We gaan naar boven en ik begin de tekst te lezen. Het zijn twee verhalen. Het meisje houdt de microfoon dichtbij mijn mond, terwijl ik voorlees. Ze kent de tekst die ik voorlees niet. Ik lees over Aglauros, die jaloers was op haar zusje, omdat een Griekse God verliefd werd op haar.

Op de Brusselse toneelacademie stapt een ander meisje het toneel op. Ze steekt een sigaret op. Om veiligheidsredenen mag roken eigenlijk niet op het toneel, tenzij het noodzakelijk is voor het stuk. Bijna alle studenten steken een sigaret op tijdens hun monoloog, een deel van het publiek inhaleert verlangend de rook.

In het opnamekamertje in Cambridge ben ik aangekomen op het punt dat Aglauros verdoemd wordt door de Godin van de Afgunst, die in haar het zaad van de jaloezie plant. “Haar vlees was verteerd, en ziekelijk,” lees ik voor. De hand van het meisje met daarin de microfoon is nog steeds roerloos. Haar met potlood getekende wenkbrauwen steken nauwelijks af op haar fantastisch egale huid.

De eerstejaars studente uit Brussel begint haar monoloog. Ze speelt leuk, spannend. Dan pakt ze een glas water op. Glas is nog gevaarlijker op het toneel dan sigaretten, een van de huisreg els is dat het glas of nep is, of dat het ingepakt moet worden in huishoudfolie, zodat er geen scherfje op de grond komt.

“Zoals een kwaadaardig gezwel..” lees ik verder voor, en pauzeer, een microseconde. De hand met de microfoon beweegt nog altijd niet. Ik kijk niet op, de lucht in de kamer lijkt wel van gelatine. “..alles aantast, wat al besmet is, maar ook wat nog blozend en gezond..”

De belgische actrice neemt een onzichtbare slok uit het glas, kijkt het publiek aan, en smijt dan het glas op de grond. De scherven spatten alle kanten op.
“..zo werd Aglauros verteerd, en voelde hoe een kilte in haar oprees en haar ledematen langzaamaan versteende,” sluit ik af, en een mengeling van schaamte en angst bekruipt me.

Terwijl ze het toneel afloopt knispert het glas onder haar rode schoenen. Het is stil in de zaal, dan pakt iemand een bezem. De docente verhult haar woede met weinig succes. “Als iemand nog van plan was met blote voeten te spelen, dan kun je dat nu vergeten,” zegt ze.

Ik kijk op en zie het rode sjaaltje, de gouden trouwring en het gebrek aan rimpels, de groene jurk om het iets te slanke postuur. “Mooi,” zegt ze.

+ 9 - 9 | §

Bijzondere Bijrol

Elke omgeving heeft zijn eigen vorm van politieke correctheid, en in de theaterwereld dient iedereen de volgende waarheden in acht te nemen: Ten eerste, het gaat niet om de acteur als individu, jij bent een radertje in een groter geheel, iedereen is even belangrijk, van de kamermeid tot de hoofdrolspeelster. Net als alle soorten politieke correctheid, maskeert deze mantra sentimenten die precies op het tegenovergestelde duiden. Enter tweede politieke correctheid: we acteren niet om onszelf, maar om het publiek een bijzondere avond te geven. Acteurs zonder Grenzen verbeteren de wereld door mensen te bewegen. Als je nog even doorvraagt, dan komt al snel de derde grote waarheid bovendrijven: ik acteer, omdat ik mensen zo fascinerend vind.

Dit keer speelde ik een bijrol in Ibsen's Hedda Gabler. Het waren twee interessante scenes, maar van de anderhalf uur van het stuk stond ik een kwartier op het toneel. Ik dacht dat het goed zou zijn, omdat ik geen tijd had om elke dag te repeteren, en toch zou kunnen acteren. Ik geloofde nog een beetje in de eerste grote waarheid, dat de grootte van de rol niet uitmaakt. Dat doet het wel. Terwijl ik in de kleedkamer wacht, jeukt alles, opgezweept door de energie in de kleedkamer en de geluiden van het podium die door een intercom de kleedkamer in schallen. Ik wil ook, meer van de rol die ik speel, desnoods alle andere rollen, ik eet crackers en probeer te lezen om mijn frustratie te verbijten, ik probeerde de acteurs te observeren. Eentje staat al tien minuten lang doodstil, kijkend naar zijn eigen spiegeldbeeld, zoals elke avond. Hij heeft een koptelefoon op, waarin hij naar een opname van zijn eigen stem luistert. Na afloop van het stuk, let ik er niet eens op of het publiek er voldaan uitziet, of de balsem voor de ziel die we hen de afgelopen anderhalf uur hebben toegediend gewerkt heeft, als ze niet naar me toe komen met 'oh wat was je goed' dan interesseren ze me niet.

Ik heb altijd om het hardst geroepen dat ik niet het cliche van een acteur wilde worden: iemand die ijdel is, en altijd bekeken wil worden, iemand die luchtkusjes geeft en graag in het openbaar huilt. Tien minuten naar mijn spiegelbeeld heb ik niet gestaard, huilen deed ik niet, en zoenen kwamen tegen huid aan, maar. Ondanks dat alles. Ik zou zo graag in de drie mantra's willen geloven, maar ik heb nooit iemand zich eraan zien houden. Volgende keer speel ik graag de hoofdrol als het kan, en dan zal ik aardig, bescheiden en gul zijn, dat beloof ik.

+ 12 - 8 | §

Aardbeving

Het was een van die avonden dat je zo moe bent, dat het verschil tussen droom en daad niet langer duidelijk is. Om een uur ging ik in bed liggen met mijn nieuwe laptop, en keek gespannen naar een film over nonnen die cocaine snoven. Opeens hoorde ik stampende geluiden boven mijn hoofd, en voelde hoe het hele bed trilde. Ik rende aarzelend naar buiten, want bij een aardbeving komt het plafond naar beneden, en dan kan het maar beter op de zondigende nonnen vallen dan op jou. Op straat was het rustig, niemand die schreeuwend naar buiten kwam, geen ambulances, vragen, lichten die aangingen. Mijn fiets stond nog steeds overeind, met een nonchalantie die de zwaartekracht beledigde. Ik liet de hele avond al dingen uit mijn handen vallen, dus ik ging ervan uit dat ik degene was die trillend door het huis liep. Het waren mijn eigen trillingen die het bed hadden laten vibreren, en de stampende geluiden waren mijn woedende buren. Vervolgens besefte ik, dat het logischer zou zijn dat er een spook in het huis was, want die zijn sinds de wijdere verspreiding van het atheisme allemaal naar Engeland geemigreerd. Ik deed alle lichten aan, buiten was het doodstil. Het vaasje met roze bloemetjes boven mijn bed had nog geen druppeltje gemorst, en de nep-kristallen glazen in de kast beneden stonden nog altijd lieflijk op de plank. Ik verwierp alle eerdere hypothesen en besloot ervanuit te gaan, dat ik geschift was. Toen keek ik naar mijn nieuwe laptop. Hij had een luidruchtige ventilator en een snorrende harde schijf. Zo snorrend dat de matras ervan vibreerde. Ik lachde mezelf smakelijk uit. Ik dacht: vibrerende matras + iemand die de trap oprent + aan hallucinatie grenzende vermoeidheid = jij denkt dat er een aardbeving is. Ik voelde me opgelucht dat ik niemand had gebeld om te vragen of er een aardbeving was geweest, en besloot smakelijk uit te slapen. Ik zag wel dat er een tweede barst in mijn slaapkamermuur was verschenen, maar schreef ook dit aan verbeelding toe. De volgende ochtend belde ik mijn moeder om mij samen uit te lachen. Voor de grap googlede ik: earthquake UK. Het was er een op een schaal van 5.3, om 1 uur 's nachts.

+ 12 - 8 | §

Ontdek je Gekje

Mensen wonen samen,
slikken hormonen
om niet met z'n te velen samen te wonen,
beginnen over hypotheken,
en zoeken gezelligheid bij mensen die ze niet kunnen velen.
De eerste golf slachtoffers spoelt aan in de Vinex-wijken,
die hen met overdekte tramhaltes en open kuilen ontvangen.

+ 10 - 10 | §

Ouden van Dagen

In de schemering (het begint hier om vier uur al donker te worden) liep ik naar de kantoorboekhandel voor een prachtig notitieboekje. Bij de balie zag ik een rood boek. "Five Year Diary" stond erop in gouden letters, alsof iemand het uit de Sovjet-Unie had geimporteerd. Het leek me eng om zoiets te kopen. Ik mag dan wel een tabel hebben gemaakt, een agenda kopen die je leven plant tot in 2013 vind ik wel heel eng. Blijkbaar deelden anderen deze angst, want toen ik naar buiten liep moest ik me langs een groepje bejaarden wurmen. Ze droegen allemaal flesgroen en beige, maar geen looprekjes of stokken.
Man in beige pet: "Oh so what did you buy then?"
Man in flesgroene broek: "A new diary for 2008."
Man in beige pet: "Well, that's optimistic."

+ 10 - 8 | §

This is Your Life

De afgelopen weken voelde ik mijn leeftijd knagen. Buiten de deur was ik een oude vrouw. Als ik niet aan het huilen was, dan sloeg ik wel iemand met een stok (in Ibsen's stuk Peer Gynt). Binnenshuis was ik mijn allereerste eigen appartement aan het inrichten, en me druk aan het maken over hoe ik het beste mijn sokken kon opruimen.

Tijdens haar workshop over toneelschrijven vertelde de (succesvolle, in de dertig zijnde) toneelschrijfster aan ons: "Ja maar de meeste toneelschrijvers schrijven hun beste werk als ze zoals zijn als jullie. Begin twintig. Daarna is het allemaal niet zo bijzonder meer."

Ik zit in mijn appartment, en vraag me af waar ik me op moet richten, voordat ik mezelfs niet eens meer ironisch een jonge vrouw meer mag noemen (niet dat ik mezelf zo noem in het openbaar. Maar ik dacht dat toen ik achttien was en door weilanden liep, "ik ben een jonge vrouw" en het voelde heerlijk), voordat ik de kans om vers jong en nieuw te zijn ben misgelopen. Want: niet alleen wil ik een boek schrijven over het kunstbeleid van de Nazis (vandaar dat ik nu PhD student ben hier) ik wil ook acteren en schrijven en geweldige mensen ontmoeten en af en toe een warm bad nemen.

Dus deed ik wat elke georganiseerde vrouw van een Zekere Leeftijd zou doen: ik ging achter de computer zitten en maakte een tabel. Een tabel waarin mijn leven, de komende drie jaar, was ingedeeld.

Hij ziet er zo uit:

TYPICAL DAY (6 days a week)

During term time: 15 hours in a day (9 hours of sleep)


Getting up, eating, cooking, lunching,
showering etc. 3 hours
Attending lectures 2 hours
Working on PhD (ie: very intense,
hardcore reading . writing) 4,5 hours
Working on artsy things 2,5 hours
Relaxing / sport 1,5 hours
Cleaning, organising, admin 0.5 hours
Getting to places 1 hours

Niet alleen was het beangstigend om je leven in een tabel te stoppen, maar ook om te zien dat het leven dus bestond uit 7 rijen en 2 kolommen. Wat voor filosofische gedachten dit in mij opriep zal ik jullie besparen. Het engste van alles was namelijk nog wel, dat ik me na het maken van deze tabel rustiger voelde dan na een warm bad of het schreeuwend toedienen van stokslagen.

+ 15 - 15 | §

Landloper

[Ditmaal zonder zelfcensuur.]

Voor ongeveer zes uur was de wereld veranderd in een musical. Ik was bezig de straat over te steken bij het Centraal Station toen ik iemand zag langslopen in een strooien hoed. We keken elkaar niet aan, maar het leek alsof er een draad was gespannen over de tramlijnen heen. Ik stak over, we kwamen naast elkaar terecht. Ik wist dat ik nu moest doorlopen, maar versnelde noch vertraagde mijn pas. Na een paar eindeloze meters draaide de strooien hoed zich mijn kant op, en vroeg: “mag ik je een gedicht voordragen?”
“Ja,” antwoordde ik. Het gedicht was grappig, hij droeg het voor met schwung.
“Ik leef hier nu van.”
“Ja?”
Ik moest eigenlijk rechtsaf, zeker omdat een uur van tevoren de hak van mijn schoen half was afgebroken. Ik probeerde niet te strompelen. Sloeg ook niet af. Naast een strooien hoed zag ik ook: een enorme rugzak. Een combatbroek bedrukt met bloemen. Een aantrekkelijk gezicht met een ontwapenend soort bravoure.
“Ben je dakloos?” vroeg ik.
“Ja.” Het overviel me, hoewel ik zelf de vraag had gesteld.
“Ga mee koffie drinken.”
“Echt?”
“Ja.”
“Met van die amandelsiroop,” roept hij.
“Ja!”
“Nee het was een grapje, dat is onwijs duur, ik bedoel-“
Een aantal minuten later zitten we in een bar met jazzmuziek uit de luidsprekers. De barman komt glimlachend op ons af. Ik ben nog nooit een vriendelijke barman tegenkomen in Amsterdam. We drinken koffie met amaretto en thee met rum en roken ongelofelijke hoeveelheden sigaretten (waaronder één die we gratis van de barman hebben gekregen), terwijl ik hem aan het uithoren ben. Hoelang hij al in Amsterdam is, sinds wanneer hij op straat leeft, waar hij dan slaapt. “Ik slaap eigenlijk zelden op straat.” In plaats daarvan bij vrienden van vrienden, studenten, couchsurfers, mensen die hij tegenkomt. Ik betrap mezelf erop dat ik nog koketter rook dan normaal gesproken. Het verwart me om te zien hoe iemand zo kalm kan zijn, zo vol bravoure en tegelijkertijd zo kwetsbaar zonder dat het een het ander uitsluit. Er is geen houding. “Ik ben het niet meer gewend om zo lang achter elkaar te praten,” zegt hij. Ik ben me bewust van de jazzmuziek en mijn blauw-fluwelen jurk, die ik draag als ik me dramatisch en jaren ’20-achtig wil voelen, van mijn notitieboekje en zwart-omlijnde ogen. Van de dingen die ik zeg om een band te scheppen, zoals: “ik houd niet van structuur,” en voel me een beetje doortrapt.
“Ik voer de hele dag gesprekken met mensen, maar dat zijn talloze, korte gesprekken. Als ik dan ga slapen, kan ik niet meer langer praten.”
Ik merk het aan hem, ik vraag: “Waar ga je heen als je rust wilt?”
“Ik sluit me op in een WC.”
“Zullen we-“ begin ik
“Ja?”
“We zouden-“ ik weet niet waar ik mee bezig ben, mijn hak is kapot, ik kan er misschien nog een paar honderd meter op lopen. “Gaan we naar de bioscoop?”
We verlaten de kroeg, de ene barman is door een nieuwe vervangen. “Er is hier vlakbij een schoenmaker,” zegt hij, en helpt mijn metgezel met zijn rugzak. “Nog een hele fijne avond, hè.” Ik wacht op het moment dat de barman een roze paraplu openklapt een gaat tapdansen. In de tram, waar hij een kaartje koopt voordat ik de kans heb te zeggen dat hij wel mee kan reizen op mijn strippenkaart, begint een Indiër tegen ons te praten. Hij wijst ons de weg naar de bioscoop. De bioscoop is dicht. De serveerster die verkleumd voor een café vol engelse toeristen staat lacht, noemt alle bioscopen van Amsterdam op, wenst ons een fijne avond, haalt een tooi met struisvogelveren te voorschijn en danst de cancan. In de tram erna begint een man met een stug gezicht en een baard tegen hem te praten, en grappen te maken, aan zijn voeten blinken zwart-witte lakschoenen met gaatjes. De vrouw in de bioscoop geeft ons korting terwijl we geen studentkaart hebben en legt haar been in haar nek, “tonight won’t be just any night,” zingt ze.
Hij staat erop dat hij dan in elk geval de wijn koopt. “Ik heb nog een paar euro meer dan ik dacht,” in zijn schone handpalm ligt een berg muntjes.
“Ik begrijp eigenlijk zelf niet, waarom ik zo van het ritueel van roken houd,” zeg ik.
Hij zegt dat ik mannelijk inhaleer en vrouwelijk de rook wegblaas. Daarna zegt hij: “Ik denk dat mensen er zo van houden omdat het hun adem zichtbaar maakt. Dat ze beseffen dat ze allemaal dezelfde lucht inademen.”
“Gekruide lucht.”
“Ja.”
In de bioscoop ren ik naar beneden. Ik ben er nooit eerder geweest, zelfs de toiletten lijken op een balzaal, ingelegd met hout en marmer en spiegels. Mijn blik is helder, het zwarte oogpotlood uitgelopen. Het wordt donker in de bioscoopzaal. Dan zegt hij: “zal ik je hand vasthouden?” en de doorrookte rozige stem in mijn hoofd maakt plaats voor Rita Verdonk. Ik zit hier met een sloeber, misschien wel een intelligente, aantrekkelijke sloeber, maar wat dan nog. Het schuim der aarde. En ik ben als die rijke oudere vrouwen die zichzelf aandacht kopen op tropische eilanden. Bijvoorbeeld door kaartjes voor de bioscoop te kopen.
“Misschien,” antwoord ik, en zit de rest van de film als een bolletje in mezelf verstrengeld, lichaamstaal zoals ik met toneel heb geleerd. Het been dat het dichtste bij het zijne ligt over het andere geslagen, mijn armen over elkaar, blik strak naar het scherm gericht, maar van de film zie ik weinig. Ik verzin duizend plannen om zo snel mogelijk weg te komen, drink maar één slok van de wijn die hij heeft gekocht, maar merk tegelijkertijd hoe ik reageer als hij voorover buigt en me iets vraagt. Het is allesbehalve afkeer.
Als we buiten staan, zeg ik dat ik de laatste trein terug moet pakken. “Jammer,” zegt hij. Het klinkt oprecht teleurgesteld, maar allesbehalve zielig of beledigd. Na twee uur in het donker gezeten te hebben zie ik hem weer en begrijp niet welke trein dan. We lopen naar de tram, en ik zeg: “ik vind je een beetje zo’n middeleeuwe landloper. Zo iemand die van dorp naar dorp trekt en dan gedichten voordraagt.” Een beeld dat ons allebei enthousiast maakt. Eerder verkocht hij behalve gedichten ook kettingen van ballonnen en werkte bij een discotheek om mensen naar binnen te lokken en pompte hij fietsbanden op. Rita Verdonk verlaat mijn hoofd en om mijn gebroken hak te ontzien, trippel ik het laatste stukje naar het Koningsplein op spitzen.
We zitten op het bankje op de tram te wachten. Ik begin te ontspannen. De tram komt aanrijden. De laatste twee sigaretten uit het pakje zijn op.
“Ga je met deze tram naar het station?”
“Ja.”
“Ik vond het onwijs leuk vanavond.”
“Ik ook.”
Ik sta op, hij ook, niets hoeft nog. We zijn allebei voldaan, soort van. Niemand is hier gemeen tegen niemand. De zoen komt onverwacht, zowel voor mij als voor hem. Ik weet niet of je het dan nog wel een zoen kan noemen. Ik weet überhaupt niet hoe je wat dan ook kan noemen, want opeens sta ik al binnen, sluiten de deuren zich en is het Koningsplein ver weg. Ik zoek naar mijn strippenkaart, vind de aansteker die hij me heeft gegeven en val bijna om. De hak zit nog met een spijkertje aan mijn laars, de mensen om me heen kijken chagrijnig, duwen zich langs me heen en wassen de schmink van hun gezicht.

+ 8 - 17 | §

Taalterreur

Dat ik een te hoge waarde aan woorden hecht heb ik al vaak genoeg naar mijn hoofd geslingerd gekregen.
Dat boswandelingen steevast werden begeleid door een mobieltje, goede gesprekken door mijn notitieboekje (om de mooie opmerkingen van mijn gesprekspartner in op te schrijven) en boeken door een rode pen (om de mooie passages te onderstrepen) was slechts de onschuldige kant van mijn taalterreur.
Ik wil het nou niet over jongens gaan hebben, maar zij waren het grootste slachtoffer. Een jaar geleden zaten ik en mijn met obsessie besmette vriendinnen voor de computer. We markeren de email van een zekere A. uit C in Word: "mooi" is roze "banaal" is oranje "onvergeeflijk" is geel. Hoewel het grootste deel roze was, was er ook een stukje geel ("hij was een zeer wijs man, met een welluidende stem, en sprak gevoelig en ontroerend over het leven")
Mijn obsessie met woorden ging gepaard met een panische angst voor clichés. Iemand hoefde maar 'wat gezellig' of 'zo is het leven' te zeggen, of ze verdwenen voor eeuwig. Iemand die een spreekwoord wilde gebruiken, werd meteen met een stem van een eng oud mens nagepraat.
Inmiddels is er echter veel water onder de brug doorgestroomt. Ik waardeer het gezelschap van mensen die me nooit naar mijn notitieboekje doen grijpen, maar die inspirerend zijn op een manier die ik niet kan bevatten. Woorden, zo besloot ik, zijn slechts een van de vele symptomen van de ware ziel der mensen, en dronk gemoedelijk een glaasje. Ik had geleerd bevriend te zijn met kleine dingen.
Of niet. De obsessie blijkt niet te zijn uitgedreven, maar zich te hebben verstopt in kleine dingen. Interpunctie. Als iemand het waagt om vaak uitroeptekens achter een zin te zetten, of nog erger: drie puntjes.
Maar het allerafschuwelijkste is de interpunctie die tot leven is gekomen. Wie had ooit kunnen vermoeden dat een dubbele punt en een 'p' zo'n minachting konden oproepen.