Landloper
[Ditmaal zonder zelfcensuur.]
Voor ongeveer zes uur was de wereld veranderd in een musical. Ik was bezig de straat over te steken bij het Centraal Station toen ik iemand zag langslopen in een strooien hoed. We keken elkaar niet aan, maar het leek alsof er een draad was gespannen over de tramlijnen heen. Ik stak over, we kwamen naast elkaar terecht. Ik wist dat ik nu moest doorlopen, maar versnelde noch vertraagde mijn pas. Na een paar eindeloze meters draaide de strooien hoed zich mijn kant op, en vroeg: “mag ik je een gedicht voordragen?”
“Ja,” antwoordde ik. Het gedicht was grappig, hij droeg het voor met schwung.
“Ik leef hier nu van.”
“Ja?”
Ik moest eigenlijk rechtsaf, zeker omdat een uur van tevoren de hak van mijn schoen half was afgebroken. Ik probeerde niet te strompelen. Sloeg ook niet af. Naast een strooien hoed zag ik ook: een enorme rugzak. Een combatbroek bedrukt met bloemen. Een aantrekkelijk gezicht met een ontwapenend soort bravoure.
“Ben je dakloos?” vroeg ik.
“Ja.” Het overviel me, hoewel ik zelf de vraag had gesteld.
“Ga mee koffie drinken.”
“Echt?”
“Ja.”
“Met van die amandelsiroop,” roept hij.
“Ja!”
“Nee het was een grapje, dat is onwijs duur, ik bedoel-“
Een aantal minuten later zitten we in een bar met jazzmuziek uit de luidsprekers. De barman komt glimlachend op ons af. Ik ben nog nooit een vriendelijke barman tegenkomen in Amsterdam. We drinken koffie met amaretto en thee met rum en roken ongelofelijke hoeveelheden sigaretten (waaronder één die we gratis van de barman hebben gekregen), terwijl ik hem aan het uithoren ben. Hoelang hij al in Amsterdam is, sinds wanneer hij op straat leeft, waar hij dan slaapt. “Ik slaap eigenlijk zelden op straat.” In plaats daarvan bij vrienden van vrienden, studenten, couchsurfers, mensen die hij tegenkomt. Ik betrap mezelf erop dat ik nog koketter rook dan normaal gesproken. Het verwart me om te zien hoe iemand zo kalm kan zijn, zo vol bravoure en tegelijkertijd zo kwetsbaar zonder dat het een het ander uitsluit. Er is geen houding. “Ik ben het niet meer gewend om zo lang achter elkaar te praten,” zegt hij. Ik ben me bewust van de jazzmuziek en mijn blauw-fluwelen jurk, die ik draag als ik me dramatisch en jaren ’20-achtig wil voelen, van mijn notitieboekje en zwart-omlijnde ogen. Van de dingen die ik zeg om een band te scheppen, zoals: “ik houd niet van structuur,” en voel me een beetje doortrapt.
“Ik voer de hele dag gesprekken met mensen, maar dat zijn talloze, korte gesprekken. Als ik dan ga slapen, kan ik niet meer langer praten.”
Ik merk het aan hem, ik vraag: “Waar ga je heen als je rust wilt?”
“Ik sluit me op in een WC.”
“Zullen we-“ begin ik
“Ja?”
“We zouden-“ ik weet niet waar ik mee bezig ben, mijn hak is kapot, ik kan er misschien nog een paar honderd meter op lopen. “Gaan we naar de bioscoop?”
We verlaten de kroeg, de ene barman is door een nieuwe vervangen. “Er is hier vlakbij een schoenmaker,” zegt hij, en helpt mijn metgezel met zijn rugzak. “Nog een hele fijne avond, hè.” Ik wacht op het moment dat de barman een roze paraplu openklapt een gaat tapdansen. In de tram, waar hij een kaartje koopt voordat ik de kans heb te zeggen dat hij wel mee kan reizen op mijn strippenkaart, begint een Indiër tegen ons te praten. Hij wijst ons de weg naar de bioscoop. De bioscoop is dicht. De serveerster die verkleumd voor een café vol engelse toeristen staat lacht, noemt alle bioscopen van Amsterdam op, wenst ons een fijne avond, haalt een tooi met struisvogelveren te voorschijn en danst de cancan. In de tram erna begint een man met een stug gezicht en een baard tegen hem te praten, en grappen te maken, aan zijn voeten blinken zwart-witte lakschoenen met gaatjes. De vrouw in de bioscoop geeft ons korting terwijl we geen studentkaart hebben en legt haar been in haar nek, “tonight won’t be just any night,” zingt ze.
Hij staat erop dat hij dan in elk geval de wijn koopt. “Ik heb nog een paar euro meer dan ik dacht,” in zijn schone handpalm ligt een berg muntjes.
“Ik begrijp eigenlijk zelf niet, waarom ik zo van het ritueel van roken houd,” zeg ik.
Hij zegt dat ik mannelijk inhaleer en vrouwelijk de rook wegblaas. Daarna zegt hij: “Ik denk dat mensen er zo van houden omdat het hun adem zichtbaar maakt. Dat ze beseffen dat ze allemaal dezelfde lucht inademen.”
“Gekruide lucht.”
“Ja.”
In de bioscoop ren ik naar beneden. Ik ben er nooit eerder geweest, zelfs de toiletten lijken op een balzaal, ingelegd met hout en marmer en spiegels. Mijn blik is helder, het zwarte oogpotlood uitgelopen. Het wordt donker in de bioscoopzaal. Dan zegt hij: “zal ik je hand vasthouden?” en de doorrookte rozige stem in mijn hoofd maakt plaats voor Rita Verdonk. Ik zit hier met een sloeber, misschien wel een intelligente, aantrekkelijke sloeber, maar wat dan nog. Het schuim der aarde. En ik ben als die rijke oudere vrouwen die zichzelf aandacht kopen op tropische eilanden. Bijvoorbeeld door kaartjes voor de bioscoop te kopen.
“Misschien,” antwoord ik, en zit de rest van de film als een bolletje in mezelf verstrengeld, lichaamstaal zoals ik met toneel heb geleerd. Het been dat het dichtste bij het zijne ligt over het andere geslagen, mijn armen over elkaar, blik strak naar het scherm gericht, maar van de film zie ik weinig. Ik verzin duizend plannen om zo snel mogelijk weg te komen, drink maar één slok van de wijn die hij heeft gekocht, maar merk tegelijkertijd hoe ik reageer als hij voorover buigt en me iets vraagt. Het is allesbehalve afkeer.
Als we buiten staan, zeg ik dat ik de laatste trein terug moet pakken. “Jammer,” zegt hij. Het klinkt oprecht teleurgesteld, maar allesbehalve zielig of beledigd. Na twee uur in het donker gezeten te hebben zie ik hem weer en begrijp niet welke trein dan. We lopen naar de tram, en ik zeg: “ik vind je een beetje zo’n middeleeuwe landloper. Zo iemand die van dorp naar dorp trekt en dan gedichten voordraagt.” Een beeld dat ons allebei enthousiast maakt. Eerder verkocht hij behalve gedichten ook kettingen van ballonnen en werkte bij een discotheek om mensen naar binnen te lokken en pompte hij fietsbanden op. Rita Verdonk verlaat mijn hoofd en om mijn gebroken hak te ontzien, trippel ik het laatste stukje naar het Koningsplein op spitzen.
We zitten op het bankje op de tram te wachten. Ik begin te ontspannen. De tram komt aanrijden. De laatste twee sigaretten uit het pakje zijn op.
“Ga je met deze tram naar het station?”
“Ja.”
“Ik vond het onwijs leuk vanavond.”
“Ik ook.”
Ik sta op, hij ook, niets hoeft nog. We zijn allebei voldaan, soort van. Niemand is hier gemeen tegen niemand. De zoen komt onverwacht, zowel voor mij als voor hem. Ik weet niet of je het dan nog wel een zoen kan noemen. Ik weet überhaupt niet hoe je wat dan ook kan noemen, want opeens sta ik al binnen, sluiten de deuren zich en is het Koningsplein ver weg. Ik zoek naar mijn strippenkaart, vind de aansteker die hij me heeft gegeven en val bijna om. De hak zit nog met een spijkertje aan mijn laars, de mensen om me heen kijken chagrijnig, duwen zich langs me heen en wassen de schmink van hun gezicht.
Taalterreur
Dat ik een te hoge waarde aan woorden hecht heb ik al vaak genoeg naar mijn hoofd geslingerd gekregen.
Dat boswandelingen steevast werden begeleid door een mobieltje, goede gesprekken door mijn notitieboekje (om de mooie opmerkingen van mijn gesprekspartner in op te schrijven) en boeken door een rode pen (om de mooie passages te onderstrepen) was slechts de onschuldige kant van mijn taalterreur.
Ik wil het nou niet over jongens gaan hebben, maar zij waren het grootste slachtoffer. Een jaar geleden zaten ik en mijn met obsessie besmette vriendinnen voor de computer. We markeren de email van een zekere A. uit C in Word: "mooi" is roze "banaal" is oranje "onvergeeflijk" is geel. Hoewel het grootste deel roze was, was er ook een stukje geel ("hij was een zeer wijs man, met een welluidende stem, en sprak gevoelig en ontroerend over het leven")
Mijn obsessie met woorden ging gepaard met een panische angst voor clichés. Iemand hoefde maar 'wat gezellig' of 'zo is het leven' te zeggen, of ze verdwenen voor eeuwig. Iemand die een spreekwoord wilde gebruiken, werd meteen met een stem van een eng oud mens nagepraat.
Inmiddels is er echter veel water onder de brug doorgestroomt. Ik waardeer het gezelschap van mensen die me nooit naar mijn notitieboekje doen grijpen, maar die inspirerend zijn op een manier die ik niet kan bevatten. Woorden, zo besloot ik, zijn slechts een van de vele symptomen van de ware ziel der mensen, en dronk gemoedelijk een glaasje. Ik had geleerd bevriend te zijn met kleine dingen.
Of niet. De obsessie blijkt niet te zijn uitgedreven, maar zich te hebben verstopt in kleine dingen. Interpunctie. Als iemand het waagt om vaak uitroeptekens achter een zin te zetten, of nog erger: drie puntjes.
Maar het allerafschuwelijkste is de interpunctie die tot leven is gekomen. Wie had ooit kunnen vermoeden dat een dubbele punt en een 'p' zo'n minachting konden oproepen.