Infiltrante
Achter een stapel boeken zie een schilderijlijst liggen. Al kan ik vanaf de zijkant slechts een paar lijnen zien, er is iets wat me ernaartoe trekt. Ik zie twee vrouwen, in zwarte lijnen. 'Oh I like that drawing a lot,' zeg ik. 'You know by whom it is?' vraagt hij. 'Picasso?' vraag ik. 'But of course.' 'You mean, it is not a reproduction?' vraag ik. 'But of course not.' Ik kijk nog eens naar de afbeelding. Hij staat achteloos op de grond ingeklemd tussen een stapel documenten en een boekenkast.
Ik ben in Cambridge.
Twee uur tevoren op Stansted geland, bevind me ik me nu in een kantoor als uit films, met een uitzicht op een paleisachtige binnenplaats bij een franse Professor in de Kunstgeschiedenis. Na onze afspraak race ik naar buiten voor het volgende gesprek. Ik struikel over de keien van King's college, mijn blauwe pumps glijden van de te gladde kousjes die ik voor de gelegenheid had gekocht. Buiten wacht als een wonder een taxi. Maar niet op mij. Een oud heertje met een stropdas van Eton geloof ik schuifelt langzaam naar de taxi. 'Mag ik mee?' vraag ik, en zonder af te wachten spring ik in de taxi, het heertje vindt het goed en wenst me zelfs nog succes.
Twee uur later heb ik mentholsigaretten gekocht en een bak pasta bij de Marks & Spencer. Ik heb twee nachten niet geslapen en me al tijden niet zo uitgesloofd. Alles is chique. Alles is een soort Disneyland: het onwaarschijnlijk kleine stadscentrum heeft een stuk of dertig colleges die er stuk voor stuk uitzien als het Paleis op de Dam, oude, enorme complexen met gazons die gemaaid worden op zo'n manier dat de grasmaaier en een perfect geometrisch patroon in achterlaat. Op de bank neem ik een hap koude pasta. Ik heb de hele dag nog niets gegeten. Dan komt er een mannetje aanlopen. Zijn ogen zijn groot en bruin en worden vergroot door de plus-glazen van zijn bril. 'I am Moroccan, so I have to talk,' zegt hij, 'you don't mind, do you?' Ik kijk hem aan, zijn blik is (misschien door de bril) zo groot en onbezoedeld als van een [vul de metafoor zelf maar in (apfab misschien)]. Hij praat tegen mij over Parijs, 'zij was eigenlijk mijn enige grote liefde,' zegt hij tegen mij, over iemand anders dan zijn vrouw. Hij vertelt over studeren in Casablanca, hoe bijna niemand het daar haalt. Hij wel. En hij werkt nu, voor zover ik kan zien, al jaren als marktkoopman.
Nog nooit ben ik op een plek geweest waar het klassenstelsel zo onbeschaamd aan de wereld wordt getoond. Je ziet in een oogopslag tot welke categorie mensen behoren: tot die van de universiteit, of tot die die de diensten verlenen. Een meisje met wie ik heb afgesproken leidt me rond. Op de meeste colleges komt er dagelijks iemand om de kamer van de student op te ruimen, de was te doen en te stofzuigen. Ik vraag me af wie de Picasso van de professor afneemt.
+ 4 - 2 | § ¶Labyrinth
"Het is een hele zieke oude man," zegt de zaalarts, "de afgelopen twaalf jaar heeft hij op de pof geleefd." We staan in een ziekenhuis aan de rand van Utrecht, naast ons ligt mijn opa, die longontsteking heeft. Twaalf jaar geleden had hij een beroerte, waarvan hij volledig is hersteld. Dat is volgens de zaalarts op de pof leven. Nu hij ziek is, en longsteking heeft, en 82 is, is het niet langer tijd om beroep op mensen uit de zorg te doen. De ziekenhuiskamer van mijn opa kijkt uit op beton en kale bomen. Het gebouw ziet eruit als een woonflat uit de jaren zeventig. Als ik bij de ingang kom, kruis ik meestal vrouwen met big hair en nubuck laarzen. Binnenin is het hol, slechts een aantal posters en glanzende helium balonnen vullen de groenige ruimte in de lobby. Omdat mijn opa longonsteking heeft, ligt hij op de afdeling neurologie. Het is de vierde verdieping van het 16 lagen tellende gebouw, ik durf me de plattegrond van het gebouw nauwelijks voor te stellen, 16 lagen van gangen die eindeloos kronkelen en vertakken. De begane grond ligt op de tweede verdieping, volgens een bordje. Er staat nergens wat er zich in de echte begane grond bevindt, maar hij moet er wel zitten. Het is een gebouw met een dubbele bodem: Onder de lobby, onder de tweede verdieping van de begane grond zie ik inderdaad nog een laag, met geblindeerde ramen. Op de afdeling zelf negeer ik de ziekenhuisgeur. Mijn opa wordt regelmatig verplaatst om onduidelijke redenen, van kamer 4.78 naar 4.12 naar 4.67, ik loop rond en zoek hem. In de kamers zie je soms wat grijze hoofden, maar vooral vleeskleurige dekens, waarop de reflectie van de televisie zwakjes flakkert. In de kamer van mijn opa vraag ik me af hoe vreemd en vanzelfsprekend het allemaal is. In deze ruimte, waarin alles in het teken staat van ziek zijn, maar waarbij alle voorwerpen, het wit van de muren, de slangetjes en karretjes alle ziekte lijken te ontkennen: de slangetjes zijn technisch, efficient, al zitten ze vast aan een mensenarm, ze hebben niets te maken met de sterfelijke zieke mens, ze zijn steriel en functioneel. Op straat zie je zelden zieke mensen, zelden bloed, of gal of andere lichaamssappen, mensen zijn gezond en mooi aangekleed, meestal. En zoniet, dan verdwijnen ze in de slaapkamers, de verpleegtehuizen en uiteindelijk in de mazen van zo'n ziekenhuis. Een gebouw dat zo verlaten is, met zo'n levenloze omgeving, dat me soms, als ik ernaartoe fiets, het gevoel bekruipt alsof ik door een rampgebied fiets, en dat in het gebouw de mensen en het personeel dat niet gemerkt hebben, en al jaren gewoon doorgaan waar ze mee bezig zijn. De buitenwereld bestaat hier niet. En de zieken zijn de enigen die uit de toon vallen tegen de achtergrond van daadkrachtig personeel, en het witte stucwerk op de muren. Ze worden lichamen, die algelang hun doestand door de gangen van het labyrinth van het gebouw worden gesluisd, in een omgeving die efficient is ingericht op genezing, maar ook op dood. De deur is altijd open, ik durf de hand van mijn opa haast niet te pakken, omdat de verpleging ernaar kan kijken. Emotie lijkt niet de passen in het geoliede systeem van het ziekenhuis, waar alles een functie heeft, behalve de zieken zelf. Het personeel is daadkrachtig, en praat op die typische overgearticuleerde manier. Radertjes in een helder systeem, vullen ze de gerasterde statussen van patienten, tussen hun eindeloze werkzaamheden door. Ze brengen de patienten soms naar de uitgang, en soms naar de echte begane grond.
Ons kent Hullie
Ik dacht aan de eindeloze stapels manuscripten die geduldig lagen te wachten op afwijzing in magazijnen van uitgeverijen. "Dus ik trek Balkenende's gulp open," galmt de stem van een meisje door het Amsterdamse Rozentheater. Op een open podium avond van dit theater kwam ik binnen een uur een stuk of 6 mensen van begin twintig tegen, die hadden gepubliceerd. Dichtbundels, columns of romans, allemaal in boekvorm uitgegeven bij Prometheus of De Arbeiderspers. Dan sprak ik nog wat mensen die een aanbod hadden gekregen van uitgevers of ze alsjeblieft iets wilden schrijven.
Ik was dus wel benieuwd. Een brunette van begin twintig in witte cowboylaarzen las voor uit haar boek "Binnen Spelen", een bundel van 13 columns waarin zij seks heeft met 13 bekende figuren, van Balkenende tot Free Willy tot Bert (van Ernie). Ik mocht luisteren naar haar avonturen met Balkenende. Gezeten in een limousine bevredigt zij het psalmen voorlezende staatshoofd. Gisteravond besloot ik deze It-girl te googlen. Ze zegt: als je mooi bent, moet je gaan schrijven, want uitgeverijen staan te springen om mooie mensen. Ook zegt ze: Dat is beter dan naar de toneelschool gaan. Ze beschrijft hoe ze het boek heeft geschreven, het klinkt allemaal vrij relaxed. Geen lijdensweg om tot nieuwe literatuur te komen. Een ander meisje -dat ook begonnen was als columniste was bij Spunk- en ook schreef over seks, en ook mooi is en gefotografeerd is met weinig aan, is ook uitgegeven op haar 21e, met haar eerlijke verhalen over seks, in de bundel Lust, en ze heeft ook een column in gerenommeerde kranten, en tv optredens en artikelen voor de Cosmopolitan en ze studeert niet meer en ze wordt de stem van een nieuwe generatie genoemd.
"Papa," vraag ik aan mijn vader, "moet ik misschien ook niet met mijn studie stoppen en een It-girl worden voor het te laat is?" "Die meisjes zijn over twee jaar weer vergeten," zegt mijn vader. Maar ze hebben hun in jaratelles gestoken been wel tussen de deur. Ze zijn cult. Lekkere meisjes die we ook mogen bewonderen omdat ze kunnen schrijven dat ze lekkere meisjes zijn. Alle teksten zijn volkomen begrijpelijk en herkenbaar, maar de schrijfsters hebben wel op het gymnasium gezeten en weten hoe ze wat intertextuele referenties in hun verhaal mogen stoppen. Kunstminnend Nederland haalt opgelucht adem: nu weten we weer wat literatuur is. Het is altijd zo moeilijk om te zeggen. Hier hebben jullie heel veel werk meisjes, want jullie maken literatuur.
Ik ben niet verbitterd. Ik draag blauwe pumps uit de kringloopwinkel en praat met een Frans accent.